pre-COOL

Technische rapporten

Technische rapporten pre-COOL vierjarigencohort

Naast het tweejarigencohort kent pre-COOL het vierjarigencohort. Hierbij gaat het om kinderen die in het onderzoek betrokken werden vlak voor of op vierjarige leeftijd. Zij worden gevolgd tot het einde van het basisonderwijs. Anders dan in het tweejarigencohort was een meting in de voorschoolse voorziening bij deze groep niet mogelijk. Om toch zicht te krijgen op de voorschoolse periode zijn in het vierjarigencohort gegevens verkregen over de deelname aan voorschoolse voorzieningen (type, duur, intensiteit). Verder is voor deze groep in kaart gebracht wat het instroomniveau is op het moment van intrede in het basisonderwijs. Informatie over het instroomniveau is nodig om het effect van de voorschoolse periode te kunnen onderscheiden van de vroegschoolse periode (dat is groep 1 en 2 basisonderwijs). De technisch rapporten zijn een verslag van de dataverzameling en geeft een beschrijving van alle gegevens die over de vierjarigen zijn verzameld in groep 1 tot en met 3 van het basisonderwijs. Het doel van de rapporten is tweeledig: het functioneert als verantwoording en codeboek voor de gebruikte instrumenten, en is tegelijkertijd ook een naslagwerk waarin de eerste resultaten worden gepresenteerd.

Het rapport van de eerste meting is hier te downloaden.
Het rapport van de tweede en derde meting is hier te downloaden.

Technische rapporten pre-COOL tweejarigencohort

Een van de doelen van pre-COOL is een beeld te geven van wat 2-jarigen kinderen kennen en kunnen op het gebied van taal.
Pre-COOL kent meerdere metingen en daardoor kunnen ontwikkelingen effecten in kaart gebracht worden. Inmiddels zijn de eerste technische rapporten van tweejarigencohort verschenen. In deze rapporten wordt verslag gedaan van de dataverzameling en wordt een beschrijving gegeven van alle gegevens die in deze fase zijn verzameld. Het doel van de rapporten is tweeledig: het functioneert als verantwoording en codeboek voor de gebruikte instrumenten, en is tegelijkertijd ook een naslagwerk waarin de eerste resultaten worden gepresenteerd.

Het rapport van de eerste meting is hier te downloaden.
Het rapport van de tweede meting is hier te downloaden.
Het rapport van de derde meting is hier te downloaden.
Het rapport van de vierde meting is hier te downloaden.
Het rapport van de vijfde meting is hier te downloaden.
Het rapport van de zesde meting is hier te downloaden.

Onderzoek met gebruik van pre-COOL-data

De voorschoolse periode onderzocht, eerste resultaten pre-COOL onderzoek gebundeld

In het rapport ‘Pre-COOL cohortonderzoek; resultaten over de voorschoolse periode’ worden verschillende uitkomsten van analyses op data van het pre-COOL cohortonderzoek over de voorschoolse periode gebundeld. Enkele resultaten zijn:
Op Nederlandse kinderdagverblijven en peuterspeelzalen is de sfeer goed, staan de leidsters open voor signalen van de kinderen en leven ze zich goed in de kinderen in. Op emotionele kwaliteit scoren de voorschoolse voorzieningen gemiddeld tot hoog. Nederlandse peuters worden echter weinig aangemoedigd en begeleid in de ontwikkeling van taal- en cognitieve vaardigheden zoals nieuwe woorden leren, doelen stellen, plannen maken en doorzetten. Activiteiten die hieraan bijdragen, zijn bijvoorbeeld: voorlezen, samen puzzels maken, kringgesprekken voeren of ‘doen alsof’-fantasiespel. Op educatieve kwaliteit scoren Nederlandse crèches en peuterspeelzalen laag tot gemiddeld.

Autochtone en (niet-westers) allochtone ouders van tweejarigen hebben een warme en ondersteunende relatie met hun kind. Ze ervaren ook vrij veel sociale steun en weinig stress bij de opvoeding. Er zijn niet tot nauwelijks verschillen in opvoedingsstijl tussen autochtone en allochtone gezinnen. Voor zover er sprake is van verschillen, zijn deze vooral gerelateerd aan een hogere mate van stress die laagopgeleide (allochtone) ouders ervaren bij de opvoeding van hun kind.

Tweetaligheid, en dan met name het opgroeien in een thuisomgeving waarin beide ouders verschillende talen spreken tegen het kind, kan al op de leeftijd van drie jaar een positieve invloed kan hebben op de ontwikkeling van inhibitie en zelfcontrole.

Kinderen met lager-opgeleide ouders scoren al op twee jarige leeftijd gemiddeld minder goed op een selectieve aandachtstaak dan kinderen uit gezinnen met een hoge sociaaleconomische status. De resultaten over het verloop van de ontwikkeling zijn echter bemoedigend: naarmate kinderen ouder werden, nam dit verschil af, zodat het op de leeftijd van vier jaar aanmerkelijk kleiner was. Mogelijk speelt de kwaliteit van de geboden opvang in het terugdringen van deze verschillen een rol. Kinderen die lager scoorden op de aandachtstaak op twee jaar, zaten namelijk in instellingen waar de kwaliteit, met name de geboden educatieve ondersteuning, hoger was. Een hogere kwaliteit zien we vooral bij instellingen die werken met een programma voor voor- en vroegschoolse educatie (vve-programma) en waar sprake is van continue professionalisering in de vorm van regelmatig inhoudelijk teamoverleg, coaching en begeleiding van medewerkers, en reflecteren op het eigen handelen.

Het rapport is hier te downloaden.

Bereik van Voor- en Vroegschoolse Educatie

In opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is onderzoek gedaan naar het bereik van voor- en vroegschoolse educatie (vve) onder met name migrantengezinnen. Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen is onder meer gebruik gemaakt van gegevens uit het pre-COOL-cohortonderzoek, tweejarigencohort. Het betreft gegevens uit de oudervragenlijst, over deelname van kinderen aan voorschoolse voorzieningen en keuzemotieven van ouders.

Het rapport is hier te downloaden.

De relatie tussen voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de ontwikkeling van kinderen

In opdracht van de Programmacommissie Beleidsgericht Onderzoek Primair Onderwijs (BOPO) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is onderzoek gedaan naar de relatie tussen voor- en vroegschoolse educatie (vve) en de ontwikkeling van kinderen. Het onderzoek maakt deel uit van het onderzoeksprogramma ‘effecten van beleidsontwikkelingen in het onderwijsachterstandsbeleid’. Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen is onder meer gebruik gemaakt van gegevens uit het pre-COOL-cohortonderzoek, vierjarigencohort. Het betreft twee onderzoeken:

  • ‘De aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en tussen vroegschoolse educatie en groep 3’.
    Dit rapport is hier te downloaden.
  • ‘Effecten van deelname aan en kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie’.
    Dit rapport is hier te downloaden.

Beide onderzoeken zijn samengevat in de brochure ‘Deelname aan voor- en vroegschoolse educatie en de ontwikkeling van kinderen’.
De brochure is hier te downloaden.

Kwaliteit van voorschoolse opvang en educatie in peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen

In opdracht van de Programmacommissie Beleidsgericht Onderzoek Primair Onderwijs (BOPO) van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is onderzoek gedaan naar de kwaliteit van voorschoolse opvang en educatie in peuterspeelzalen en kinderopvanginstellingen. Het onderzoek maakt deel uit van het hierboven genoemde onderzoeksprogramma ‘effecten van beleidsontwikkelingen in het onderwijsachterstandsbeleid’. Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen is gebruik gemaakt van gegevens uit het pre-COOL cohortonderzoek, tweejarigencohort.

Het onderzoek is hier te downloaden

De pedagogische kwaliteit van peuterspeelzalen

In opdracht van het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid is onderzoek gedaan naar de kwaliteit van peuterspeelzalen. Vragen naar de pedagogische kwaliteit werden beantwoord met behulp van gegevens uit het pre-COOL cohortonderzoek, tweejarigencohort.
Het onderzoek is hier te downloaden.

Tegelijkertijd werd een meting van de kwaliteit in peuterspeelzalen uitgevoerd met behulp van instrumenten peuterspeelzalen op basis van het Nederlands Consortium Kinderopvang Onderzoek (NCKO).

De resultaten uit beide onderzoeken zijn samengevat in een brochure, die u hier kunt downloaden.

Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen

In het rapport ‘Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen’ staat de ontwikkeling van kinderen in de voor- en vroegschoolse periode, van twee tot zes jaar centraal. Gekeken is hoe kinderen uit de doelgroepen van het VVE-beleid zich, vergeleken met niet-doelgroepkinderen ontwikkelen op belangrijke ontwikkelingsdomeinen: woordenschat, selectieve aandacht, Cito taal- en rekenscores en speelwerkhouding. Vervolgens is een relatie gelegd tussen deze ontwikkelingsaspecten en de kwaliteit van voorschoolse voorzieningen. Enkele resultaten zijn:

De achterstand van de doelgroepkinderen op 2- en 3-jarige leeftijd ten opzichte van niet-doelgroepkinderen neemt substantieel af in de voorschoolse periode. Op woordenschat en op de aandachtfunctie, dat wil zeggen de mate waarin kinderen in staat zijn hun aandacht vast te houden bij een taak of activiteit, maken doelgroepkinderen een inhaalslag. Voor rekenen is geen inhaaleffect gevonden tussen doelgroep- en niet-doelgroepkinderen (achterstanden blijven gelijk). Voor de speelwerkhouding is juist een licht toenemende achterstand geconstateerd. Waar dit laatste precies mee te maken heeft moet nog verder worden onderzocht.

Er zijn vooral positieve effecten van het stimuleren en verrijken van fantasiespel, van het gebruik van een VVE-methode en van de educatieve proceskwaliteit in voorschoolse voorzieningen. De educatieve kwaliteit is vooral van belang voor de ontwikkeling van de aandacht. De bevordering, begeleiding en verrijking van spel is vooral van belang voor de taalontwikkeling en de speelwerkhouding. Het gebruiken van een VVE-methode versterkt het inhaaleffect voor deze kinderen bij woordenschat.

Kinderen met een risico op achterstand gaan vooral naar peuterspeelzalen of voorscholen die in overgrote meerderheid gebruik maken van een programma voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE-programma). Een deel van die kinderen gaat naar de kinderopvang, waar ook in toenemende mate wordt gewerkt met een VVE-programma. De kwaliteit van deze instellingen is in het algemeen hoger dan in instellingen zonder VVE-programma. Ook blijkt: hoe meer doelgroepkinderen op een locatie, hoe beter de uitvoering van het VVE-beleid en hoe hoger de kwaliteit. De meeste doelgroepkinderen gaan dus naar instellingen met een VVE-programma van een hogere kwaliteit. Dat is bijzonder, aangezien in het buitenland de kwaliteit van instellingen met kinderen uit achterstandsgroepen vaak lager is.

Het rapport is hier te downloaden.

Het onderzoek is samengevat in de brochure ‘Ontwikkeling van kinderen en relatie met kwaliteit van voorschoolse instellingen’.
De brochure is hier te downloaden.

Kwaliteit in kleutergroepen en de relatie met ontwikkeling van kinderen

In het rapport ‘Kwaliteit in kleutergroepen en de relatie met ontwikkeling van kinderen’ staat de vraag naar de kwaliteit in de kleutergroepen centraal. Gekeken is wat de relatie is tussen kwaliteit in de kleutergroepen en de ontwikkeling van kinderen uit de doelgroepen van het vve-beleid. Verder is onderzocht in hoeverre doelgroepkinderen te maken hebben met stabiliteit in kwaliteit in de voor- en vroegschoolse periode en wat de relatie is van vroegschoolse kwaliteitspatronen, vergeleken met voorschoolse kwaliteitspatronen, met de ontwikkeling van kinderen.

Enkele resultaten zijn:
Doelgroepleerlingen gaan in de helft van de gevallen naar een school zonder erkend vve-programma. Op een school met vve-programma behalen leerlingen echter geen betere resultaten, zoals in de voorschool. De geobserveerde educatieve kwaliteit in kleutergroepen is matig tot onvoldoende en vaak lager dan in voorschoolse instellingen met een vve-programma. Educatieve kwaliteit betekent: actief faciliteren van de cognitieve en taalontwikkeling van kinderen door activiteiten aan te bieden die taalrijk zijn en aansluiten bij hun belevingswereld, waarin ze uitgedaagd worden om verbanden te leggen en na te denken. Bij hoge educatieve kwaliteit ontvangen kinderen individuele feedback die ze in staat stelt een stapje verder te komen in hun ontwikkeling.
Op scholen met veel doelgroepleerlingen zijn de condities wel wat gunstiger dan op scholen met weinig doelgroepleerlingen. Er is sprake van iets kleinere groepen en iets vaker is er dubbele bezetting aanwezig. Dit is echter niet terug te zien in de educatieve kwaliteit.

Weinig stabiliteit in kwaliteit
Namen doelgroepkinderen in de voorschoolse periode vaak deel aan voorschoolse voorzieningen met een betere kwaliteit dan kinderen die geen doelgroep vormen van het vve-beleid, in de kleutergroepen zien we dit niet terug. Er is weinig stabiliteit in kwaliteit: slechts een klein deel van de doelgroepleerlingen krijgt zowel in de voor- als in de vroegschoolse periode aanbod van (relatief) hoge kwaliteit. Doelgroepkinderen komen vanuit de voorschoolse voorziening zelfs vaker terecht in kleutergroepen met een lagere kwaliteit dan niet-doelgroepkinderen.

Pluspunt: ook kleutergroepen met hoge kwaliteit
Op dit gemiddelde beeld past een nuance: er zijn wel kleutergroepen met een goed aanbod en hoge kwaliteit en daar is de ontwikkeling van doelgroepkinderen ook gunstiger.
Bovendien is er effect gevonden van educatieve kwaliteit in de kleutergroepen op de rekenontwikkeling. Verder is het aanbod aan taalactiviteiten hoger op scholen met meer doelgroepleerlingen en is op die scholen meer aandacht voor het omgaan met diversiteit.

Het rapport is hier te downloaden.

Het onderzoek is samengevat in de brochure ‘Kwaliteit in kleutergroepen en de relatie met ontwikkeling van kinderen’.
De brochure is hier te downloaden.

Sleutelmomenten jonge kind

Deze brochure bevat resultaten van drie deelstudies, waarin we ons richten op de vraag: wat is een goed aanbod voor doelgroepkinderen van het onderwijsachterstandenbeleid in voorschoolse voorzieningen en de beginperiode van het basisonderwijs? Onder doelgroepkinderen verstaan we kinderen van wie ten minste één ouder in een niet-westers land is geboren en/of laagopgeleide ouders hebben. Het doel is om nieuwe inzichten te bieden in wat wel en niet werkzaam is in deze sleutelperiode in de ontwikkeling van jonge doelgroepkinderen.
Het onderzoek maakt deel uit van het NRO-onderzoeksprogramma ‘Met onderzoek onderwijs vernieuwen’, periode 2016-2019.
In de eerste deelstudie is de kwaliteit van het aanbod in integrale kindcentra (IKC’s) onderzocht en vergeleken met de kwaliteit in voorschoolse instellingen.
In deelstudie 2 is de relatie tussen kwaliteit van het kleuteronderwijs en de schoolloopbaan van kinderen onderzocht met aandacht voor verschillen in deze relatie tussen doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen.
In deelstudie 3 is onderzocht wat de kans is op kleuterbouwverlenging en wat de effecten van kleuterbouwverlenging zijn op de schoolloopbanen van kinderen en of er daarbij sprake is van differentiële effecten voor doelgroepkinderen en nietdoelgroepkinderen.

Het rapport is hier te downloaden.

Het pre-COOL cohort tot en met groep 5

In dit deelonderzoek staat de ontwikkeling van doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen van de voor- en vroegschoolse periode tot en met groep 5 centraal. Doelgroepkinderen in dit onderzoek zijn: kinderen met laagopgeleide ouders, ouders met een niet-westerse herkomst en kinderen die thuis (ook) andere talen dan Nederlands spreken. Nagegaan is in hoeverre verschillen in ontwikkeling tussen doelgroepkinderen en kinderen die niet tot de doelgroep behoren, in de loop van de basisschoolperiode veranderen. Dit is gedaan voor vier ontwikkelingsaspecten: begrijpend lezen, woordenschat, rekenen en de werkhouding van kinderen zoals beoordeeld door pedagogisch medewerkers en leerkrachten.

Dit onderzoek maakt deel uit van het langlopende onderzoek Pre-COOL. Pre-COOL is een cohortonderzoek dat in 2009 is gestart om effecten van deelname aan voor- en vroegschoolse educatie op de kinderlijke ontwikkeling te onderzoeken.

Het rapport is hier te downloaden.